Gedurfde lijnen, vooruitstrevende technische oplossingen of zelfs een onontgonnen markt: deze vijf auto’s botsten op een publiek dat nog niet klaar was om hen te omarmen. In een gunstigere context hadden ze iconen kunnen worden. Hier zijn vijf onterecht genegeerde auto’s, voor wie de timing wellicht de grootste vijand was…
1. Matra Rancho (1977-1984): de SUV avant la lettre
In een kleine tien jaar tijd won Matra drie keer de 24 Uren van Le Mans, bouwde het een van de eerste wagens met middenmotor en lanceerde het een originele sportwagen met drie zitplaatsen naast elkaar. Aan ideeën geen gebrek. De ingenieurs dachten vervolgens na over een geheel nieuw model, helemaal anders dan de kleine sportwagens waaraan het merk gewend was.
Zo werd in 1977 de Rancho voorgesteld: noch een pure 4x4, noch een eenvoudige break. De Rancho was een soort beschaafde avonturier, met andere woorden: een SUV avant la lettre. Hoewel de Rancho technisch vrij eenvoudig was, bleef hij grotendeels onbegrepen, omdat hij gekneld zat tussen ruige bedrijfsvoertuigen en traditionele berlines.
Advertentie – lees hieronder verder
2. Chrysler Airflow (1934-1937): de miskende aerodynamica
Midden jaren dertig wil autoreus Chrysler de gevestigde orde door elkaar schudden met een model dat op niets bestaands lijkt: de Airflow. De motorisering is niet bijzonder vooruitstrevend, maar het koetswerk wél: het merk wilde een model dat gestroomlijnd was, in staat om de lucht te snijden in plaats van ze te duwen. Er waren veel innovaties, zoals een zelfdragende structuur en vooral een ongezien vloeiende lijn.
Maar in die tijd was het Amerikaanse publiek niet klaar voor zo’n esthetische revolutie. Met zijn look van een droeve walvis bracht de Airflow verwarring. Hij verkocht zeer slecht, des te meer omdat de productie bijzonder complex bleek. Toch liep hij vooruit op wat alle constructeurs vandaag zoeken: verfijnde aerodynamica.
3. Oldsmobile Jetfire Turbo-Rocket (1962-1963): de mislukte turbo
In tegenstelling tot wat een hardnekkige legende vertelt, was de eerste constructeur die een turbo op een productiemodel monteerde niet Europees maar… Amerikaans. Het eerste model dat deze technologie introduceerde, was de Chevrolet Corvair Monza Turbo, enkele weken later gevolgd door de Oldsmobile Jetfire. In beide gevallen werd het een flop…
Als compacte berline oogt de Oldsmobile vrij conventioneel. Maar onder de motorkap is het feest: een V8 volledig uit aluminium, een ongezien materiaal voor een Amerikaanse constructeur. De voor die tijd bescheiden cilinderinhoud (3,5 liter) werd gecompenseerd door een turbo, een volledig nieuwe technologie. Het vermogen werd opgegeven op 215 pk, maar helaas volgde de betrouwbaarheid niet… Toch was de erfenis van dit blok aanzienlijk: de overgrote meerderheid van de huidige verbrandingsmotoren is turbogeladen. En die V8 werd overgenomen door Rover (in atmosferische versie), dat hem bijna veertig jaar gebruikte.
4. Tucker 48 (1947-1949): de gesaboteerde visie
De Tucker is zonder twijfel het meest dramatische geval in deze lijst. Hyperactieve ondernemer Preston Tucker bedenkt, vlak na de oorlog, een futuristische berline: achterin geplaatste motor, onafhankelijke ophanging, een meedraaiende centrale koplamp, veiligheidsgordels, geprogrammeerde kreukelzones… alles waar de industrie decennia over zou doen om het te veralgemenen. Kortom: hij schudt het autolandschap dooreen met een product dat niet tien maar wel twintig jaar voorsprong had. Het publiek is gefascineerd, maar de concurrentie spant samen tegen hem: politieke druk, lastercampagnes en financieringsproblemen torpederen het project. Een vijftigtal wagens rolt van de band voor het faillissement.
In het welvarende Amerika van de jaren vijftig, tuk op nieuwigheden en open voor lef, had de Tucker een symbool kunnen worden. Zeker omdat zijn geniale uitvinder al aan schijfremmen én aan injectie dacht. Vandaag wisselen zijn creaties, die zo goed als allemaal overleefden, van eigenaar voor miljoenen dollars…
5. Audi A2 (1999-2005): het kleine wonderkind
De Audi A2, die in 1999 op de markt kwam, was een technologisch juweeltje: aluminium structuur, vederlicht gewicht (minder dan 900 kg voor de basisversie), verfijnde aerodynamica en dus een recordverbruik. Met zijn 3,8 m lengte viel de A2 op in het segment van de kleine auto’s door zijn elegante technische oplossingen. Maar die verfijning had een prijs: hij was duur om te bouwen en duur in aankoop. De A2 botste op een publiek dat nog niet klaar was om zoveel geld aan een stadswagen te besteden. Zijn atypische design hielp natuurlijk ook niet. Vele jaren later wemelt het van de premium stadswagens op de markt. Het is nooit goed om te vroeg gelijk te hebben…
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be