Om te beginnen moeten we proberen te bepalen wat een supercar precies is. Dat is niet zo eenvoudig, want er bestaat helemaal geen officiële definitie. Toch hebben we allemaal een duidelijk beeld van wat die term betekent: een uitgesproken sportieve auto die weinig compromissen sluit, zeldzaam en exclusief is, bijzonder veel geld kost en uitzonderlijke prestaties levert. Volgens sommigen moet de motor bij voorkeur centraal geplaatst zijn en moet de auto ook technologie uit de autosport gebruiken.
Duesenberg SSJ: 400 pk… in 1935!
We keren eerst een flink stuk terug in de tijd. Voor de Tweede Wereldoorlog stond een Amerikaans merk bekend om zijn zeldzame, exclusieve, peperdure en vooral waanzinnig krachtige auto’s: Duesenberg. Deze Amerikaanse constructeur had namelijk een fantastische achtcilinder-in-lijn ontwikkeld met twee bovenliggende nokkenassen, een motorarchitectuur die rechtstreeks uit de autosport kwam. De SJ en vervolgens de SSJ uit 1935 dreven deze motor tot het uiterste, met een vermogen van maar liefst 400 pk. Om dat even in perspectief te plaatsen: gewone Europese auto’s leverden destijds zo’n 30 pk en de Bugatti Type 51 kwam in de buurt van 200 pk. Kortom, Duesenberg had wel degelijk een superauto gebouwd…
Advertentie – lees hieronder verder
Maar was het ook echt een supercar? Hij voldoet aan heel wat criteria, maar de Duesenbergs waren waarschijnlijk eerder bijzonder krachtige luxewagens dan compromisloze sportwagens. Denk aan een soort Bentley Continental GT uit de jaren dertig, eerder dan aan een voorloper van de Countach.
Alfa Romeo 8C 2900B: een Grand Prix-auto met nummerplaten
Twee jaar later verschijnt een nog overtuigendere kandidaat: de Alfa Romeo 8C 2900B. Hier is de link met de autosport veel sterker. Onder de motorkap ligt opnieuw een achtcilinder-in-lijn met twee bovenliggende nokkenassen, ditmaal aangejaagd door twee compressoren. Maar deze motor met 2,9 liter is rechtstreeks afgeleid van de Grand Prix-wagens. Het vermogen is minder indrukwekkend dan dat van de Duesenberg (ongeveer 180 pk), maar het karakter is des te uitgesprokener. De motor is nog gretiger, klinkt bijzonder opwindend en wordt gecombineerd met een scherp afgesteld chassis, onafhankelijke wielophanging op de vier wielen en een versnellingsbak achteraan voor een betere gewichtsverdeling.
Met een topsnelheid van 185 km/u, een bijzonder beperkte productie, een hoog prijskaartje en veel verfijndere techniek dan de Bugatti’s uit die tijd voldoet de Alfa Romeo 8C aan bijna alle voorwaarden. Toch is er nog één detail: hij sluit waarschijnlijk nog te veel compromissen op het vlak van comfort en zijn motor ligt nog altijd op de traditionele plaats vooraan.
Mercedes 300 SL: nu wordt het pas echt serieus
Volgens de gespecialiseerde autopers is er één model dat de Miura de titel van eerste supercar echt kan betwisten: de Mercedes 300 SL. Vlak na de oorlog waren er zeker snelle auto’s, te beginnen met de Jaguar XK120. Maar weinig modellen stonden zo dicht bij de autosport als de 300 SL. Een buizenchassis, vleugeldeuren die noodzakelijk waren door de constructie, een zescilinder met directe injectie, 215 pk en een topsnelheid tot ongeveer 250 km/u: de 300 SL is een echt technologisch meesterwerk. Bovendien werd hij, in tegenstelling tot de Duesenberg SSJ en Alfa Romeo 8C 2900B, niet in piepkleine aantallen gebouwd. Mercedes produceerde tussen 1954 en 1957 maar liefst 1.400 coupés. Het was dus een echte seriewagen, al bleef hij door zijn hoge prijs uiteraard voorbehouden aan een bijzonder gefortuneerd publiek…
Advertentie – lees hieronder verder
Was dit dan de eerste supercar? Hij heeft bijna alles in huis, maar zijn architectuur blijft die van een klassieke GT met de motor vooraan. Twaalf jaar later zou de Miura de lage vormgeving, het compromisloze karakter en de motoropstelling introduceren die onlosmakelijk verbonden zouden raken met het genre van de supercar.
Pontiac GTO: de eerste supercar… omdat hij zo genoemd werd?
Een supercar, deze Pontiac? Jazeker, hij is duidelijk de vreemde eend in de bijt, maar daar is een goede reden voor. De Pontiac GTO, die in 1964 verscheen, had geen middenmotor, geen exotisch koetswerk en werd niet in beperkte aantallen gebouwd. Hij was zelfs niet bijzonder duur. Hij werd afgeleid van de brave Tempest LeMans, waarin Pontiac een enorme 6.4 V8 had gemonteerd. Aan vermogen ontbrak het in elk geval niet, met maximaal 348 pk.
De reden waarom hij in dit lijstje staat, is een opmerkelijk detail: het Amerikaanse automagazine Car Life gebruikte de term ‘supercar’ om dit model te omschrijven, ruim vóór de komst van de Miura. De term was weliswaar niet nieuw, want hij was al in de jaren twintig gebruikt in een advertentie voor een obscure Ensign 6. Maar in dit geval ging het niet om een merk dat zichzelf die titel gaf: onafhankelijke autojournalisten gebruikten de benaming.
Uiteraard kunnen we de Pontiac volgens de huidige betekenis van het woord niet als de eerste supercar beschouwen. De term ‘muscle car’ verving trouwens al snel de benaming ‘supercar’. En we moeten toegeven dat deze Pontiac zowat het tegenovergestelde is van wat we vandaag onder een supercar verstaan…
ATS 2500 GT: de échte eerste supercar?
En dan komen we bij de echte spelbreker, een auto die volkomen onterecht nauwelijks bekend is. Ik moet je iets bekennen: ik heb altijd al een zwak gehad voor obscure en originele auto’s en dit is daar een schitterend voorbeeld van. Toch is de aanwezigheid van de ATS 2500 GT in dit lijstje meer dan terecht. Misschien is hij zelfs de sterkste kandidaat om de titel van ‘eerste supercar’ van de Miura af te snoepen.
Laten we eerst zijn afkomst bekijken. ATS werd opgericht door voormalige Ferrari-medewerkers, onder wie de ingenieurs Carlo Chiti en Giotto Bizzarrini. In 1963, drie jaar vóór de Miura, onthulde het kleine merk een lage, gestroomlijnde auto met een bijzonder exotische technische architectuur. Zijn fantastische volledig aluminium V8, die bijna 8.000 toeren per minuut draaide, lag namelijk centraal achterin. Dat was bijzonder ongewoon, al had de kleine René Bonnet Djet een jaar eerder al het voorbeeld gegeven.
Op papier heeft hij dus alle ingrediënten waarmee de Miura aanspraak maakt op de titel van eerste supercar: een rechtstreeks uit de autosport afgeleid chassis met een centraal achterin geplaatste motor, een waanzinnig prijskaartje en hoogstaande techniek. Heeft de Miura zijn titel dan ten onrechte gekregen? Niet echt, want er is nog één detail: de V8 van de ATS heeft een cilinderinhoud van slechts 2,5 liter. Hij levert weliswaar 220 pk, waarmee hij volgens de constructeur een topsnelheid van 240 km/u haalt, maar dat blijft toch een stuk minder indrukwekkend dan de 280 km/u van de Miura.
Verdient de Miura dan toch zijn kroon?
In maart 1966 bracht de Miura iets samen wat geen enkele van zijn voorgangers helemaal voor elkaar had gekregen: een middenmotor, een werkelijk spectaculair vermogen en dito prestaties, een uitzonderlijk laag en sensueel koetswerk, een waanzinnig prijskaartje… maar ook een echte serieproductie.
Natuurlijk kunnen we nog enkele bijzonder geloofwaardige kandidaten aan het lijstje toevoegen, zoals de Bugatti Type 57SC, Ferrari 250 GTO, Shelby Cobra 427 of zelfs de Ford GT40. Maar hoewel al die auto’s een stukje van de puzzel aanleverden, slaagde alleen de Miura erin om alle ingrediënten tot de perfecte cocktail te mengen.
Vind je volgende oldtimer op Autoclassic.be
Een vraag over oldtimers? Neem contact op met BEHVA
Duizenden Belgische bestuurders volgen Gocar om op de hoogte te blijven en om de beste wagendeals te ontdekken. U toch ook? Blijf op de hoogte: