1996 was een topjaar voor de auto-industrie, met de komst van succesvolle modelreeksen zoals de Audi A3, de Renault Scénic en de Citroëns Saxo en Berlingo. Maar vooral de sportieve modellen maakten toen het mooie weer. Zo werden enkele legendes geboren.
Ferrari 550 Maranello
Luca di Montezemolo, toenmalig voorzitter van Ferrari, wilde een radicale terugkeer naar de roots voor zijn GT’s: de vlakliggende twaalfcilinder achterin werd ingeruild voor een V12 voorin. De nieuwkomer was niet alleen veel comfortabeler, praktischer en bruikbaarder dan zijn voorganger, de Testarossa, maar bleef ook een rasechte sportwagen: hij werd uitsluitend geleverd met een manuele versnellingsbak en zijn 5.5 V12 leverde 485 pk.
Deze Ferrari is betrouwbaar, op voorwaarde dat hij goed onderhouden wordt, en zijn waarde stijgt gestaag: tussen 120.000 en 180.000 euro, afhankelijk van historiek en kilometerstand.
Advertentie – lees hieronder verder
Volvo C70
Ook al heeft Volvo vandaag geen enkele coupé meer in zijn gamma, toch heeft het merk wel degelijk een stevige coupégeschiedenis. De P1800 uit de jaren zestig wordt algemeen beschouwd als het pronkstuk van het merk. Maar ook de C70, die in 1996 gelanceerd werd, mag er zijn. TWR, een Britse tuner die vooral bekend is uit de racerij, stond mee aan de wieg van dit model. Neen, een radicale sportwagen is het niet, maar de C70 weet wel te overtuigen met zijn vijfcilindermotoren, die in hun laatste uitvoeringen tot 245 pk leverden.
Reken op 5.000 tot 12.000 euro. Ter info: de auto werd eind 1996 voorgesteld, maar de productie begon pas echt in het jaar daarop. De cabrio verscheen in 1998.
Porsche Boxster
Velen beschouwen de Boxster als het model dat Porsche gered heeft. De eerste generatie van de Boxster werd aangedreven door een bescheiden 2.5 zescilinder boxermotor met 204 pk. Hij was niet overdreven krachtig, de afwerking was matig en de betrouwbaarheid boezemt soms wat angst in. Maar op de weg is deze eerste Boxster nog altijd een échte Porsche, met een bijzonder trefzeker en efficiënt rijgedrag.
Op de tweedehandsmarkt is de Boxster opnieuw erg in trek: reken op 15.000 tot 23.000 euro, wat 20 à 30% meer is dan enkele jaren geleden. De latere 2.7-versie is aangenamer en we adviseren om altijd een exemplaar te kiezen dat volgens de regels van de kunst onderhouden werd.
TVR Cerbera
Dit is ongetwijfeld de meest opwindende van deze selectie. Omdat TVR verplicht was een eigen V8 te ontwikkelen, kwam het merk met een waanzinnig motorblok op de proppen: een 4.2 V8 met platte krukas, goed voor 360 pk. Een echte racekrachtbron. Met een gewicht van amper 1,1 ton belooft de TVR absurde prestaties: van 0 naar 100 km/u in slechts 4,2 seconden.
Maar dit beestje is niet voor iedereen weggelegd. Hij werd in kleine oplage gebouwd, uitsluitend met het stuur rechts, en heeft een nogal bedenkelijke reputatie qua betrouwbaarheid (onterecht, volgens puristen). De Cerbera is zeer zeldzaam en brutaal om te rijden. Reken op zo’n 40.000 tot 60.000 euro.
Jaguar XK
De tweede Brit in deze lijst is véél beschaafder dan de eerste. Als opvolger van de vrij omstreden XJS kreeg de XK8 een schitterend lijnenspel mee. Er waren twee koetswerkvarianten: coupé of cabrio. Onder de motorkap zat een gloednieuwe krachtbron: een 4.0 V8 met 32 kleppen, goed voor bijna 300 pk. Niet genoeg? Twee jaar later volgde de XKR, voorzien van een compressor en zo’n 80 pk extra.
In alle gevallen gaat het meer om een comfortabele GT dan om een pure sportwagen, al zijn de prestaties zeker niet min. Het model kende bij de lancering enkele betrouwbaarheidsproblemen, maar Jaguar loste die snel op. Een uitstekende keuze, met prijzen tussen 8.000 en 28.000 euro. De kwaliteit is belangrijker dan de prijs.
Renault Spider
In de jaren negentig durfde Renault risico’s te nemen en buiten de lijntjes te kleuren. Na de Twingo, die in 1993 het segment van de stadswagens op z’n kop zette, lanceerde Renault in 1996 een… radicale sportwagen. De keuzes waren extreem: geen voorruit (in de beginfase), geen rijhulpsystemen, geen stuurbekrachtiging, voor een wagen van amper 930 kg. Indrukwekkend, al deed de Lotus Elise het nog beter, mét iets meer ‘comfort’… Die Elise werd overigens een jaar eerder voorgesteld, maar kwam net als de Spider pas in 1996 echt op de markt.
De Spider kreeg een centraal achterin geplaatste motor uit de Clio Williams: een 2.0 viercilinder met 150 pk. Stevig gebouwd, al heeft hij vaak zwaar circuitgebruik moeten doorstaan. Vandaag is de waarde pijlsnel gestegen: tussen 40.000 en 50.000 euro.
Mercedes-Benz SLK
Na een eerste concept in 1994 werd het twee jaar later menens: Mercedes lanceerde de SLK in productievorm. De grote verrassing? Het inklapbare stalen dak, een systeem dat eigenlijk al in 1936 door Peugeot werd bedacht, maar dat door de jaren heen in de vergeethoek was geraakt. De SLK was geen radicale sportwagen: bij de lancering kreeg hij alleen viercilindermotoren, met vermogens van 136 tot 193 pk. Niet spectaculair, maar wel comfortabel en vlot.
De SLK is behoorlijk betrouwbaar, al hebben veel exemplaren geleden onder een gebrek aan onderhoud door minder kapitaalkrachtige eigenaars. Een bekend gevolg van een lage marktwaarde… Vandaag stijgen de prijzen opnieuw, maar ze blijven heel redelijk: tussen 4.000 en 10.000 euro. Iets toegankelijker dus dan zijn rechtstreekse rivaal, de BMW Z3, die een jaar eerder voorgesteld werd, maar waarvan de eerste exemplaren ook in 1996 geleverd werden.
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be