Eind negentiende eeuw hadden de allereerste auto’s helemaal geen verlichting. Ingenieurs hielden zich toen met andere zaken bezig, zoals het ontwikkelen van verbrandingsmotoren die min of meer betrouwbaar een paar kilometer konden afleggen. Gaandeweg verbeterde de techniek en begonnen auto’s steeds minder op aangepaste koetsen te lijken.
Doordat er geen verlichting was, konden auto’s alleen overdag gebruikt worden. Ze waren door hun hoge prijs voorbehouden aan notabelen uit steden en dorpen. Al snel bewezen auto’s echter hun nut bij medische noodgevallen: artsen die er een bezaten, moesten soms uitrukken wanneer het donker was. Daarom kregen de voertuigen lantaarns met kaarsen, overgenomen uit de paardentijd, later met olie of acetyleen. Dat maakte het gebruik wel omslachtig, want de lampen moesten handmatig aangestoken worden en er was altijd een voorraad brandstof nodig.
Eerste vooruitgang
Met de opkomst van de auto begon elk land na te denken over een coherente wetgeving, zodat alle weggebruikers zich veilig konden verplaatsen. Zo ontstond in 1901 de verplichting voor auto’s om een paar koplampen vooraan te hebben. Een eerste stap naar meer verkeersveiligheid, al bleef de zichtbaarheid ’s nachts problematisch. Het licht was zo zwak dat de lampen hoogstens dienden om gezien te worden door andere automobilisten. Zelf vooruitkijken was nauwelijks mogelijk. De introductie van lampolie zorgde wel voor een duidelijke verbetering, maar echt overtuigend was het nog niet.
Advertentie – lees hieronder verder
Pas in het begin van de twintigste eeuw, met de uitvinding van de gloeilamp door de Amerikaan Thomas Edison, deed de elektrische verlichting zijn intrede in de auto. Cadillac introduceerde ze in 1912, waarna de technologie zich enkele jaren later verspreidde. Je moet je in de context van die tijd plaatsen om de revolutie goed te begrijpen: voortaan kon je in het donker écht zien én was de bediening van de lampen veel eenvoudiger. Met één druk op de knop gingen de lampen aan, zonder het gedoe van brandstof of het risico dat de vlam doofde.
Geleidelijke verbeteringen
Vanaf het begin van de jaren 1910 steeg het aantal auto’s op de weg explosief. Logischerwijs nam ook het aantal ongevallen toe. In 1925 kwam de uitvinding van de lamp met dubbele gloeidraad, waardoor grootlicht en dimlicht in één en dezelfde koplamp zaten.
Aanvankelijk zaten de koplampen aan weerszijden van de grille, maar vanaf de jaren dertig werden ze in de spatborden geïntegreerd dankzij de eerste studies naar aerodynamica. Gaandeweg werden de lampunits kleiner, met steeds krachtigere lampen, betere lenzen en verbeterde glazen. De koplampen waren doorgaans rond of ovaal en kregen een chroomrand.
In de jaren vijftig schakelden veel auto’s over van 6 naar 12 volt, wat de verlichting opnieuw merkbaar krachtiger maakte. Toch kwam de echte doorbraak pas begin jaren zeventig, met de komst van de eerste halogeenlampen. Ook de koplampen zelf evolueerden: voortaan werden ze meestal uit kunststof gemaakt. Sommige constructeurs pakten uit met innovatieve oplossingen, zoals Citroën met de meedraaiende koplampen op de DS, die in dezelfde richting als de voorwielen draaiden.
Spectaculaire sprongen
Daarna bleef het jaren stil zonder echte innovatie. Pas begin jaren negentig verschenen de eerste luxewagens met koplampen met gasontladingslampen (HID), beter bekend als xenonkoplampen. Deze technologie, ontwikkeld door Bosch en Hella, werd in 1992 voor het eerst toegepast op de BMW 7 Reeks. In vergelijking met klassieke gloeilampen was xenon een echte revolutie: extreem krachtig licht, met een lichte blauwe schijn. Toch waren er ook nadelen: het verblindde gemakkelijk andere weggebruikers en het was behoorlijk duur.
Enkele jaren lang gold xenon als het summum van technologische verfijning, voorbehouden aan wagens in de hogere prijsklasse. Goedkopere modellen moesten het stellen met halogeen, dat een onovertroffen prijs-prestatieverhouding bood. Pas begin jaren 2000 kwam er opnieuw een uitvinding die de autowereld helemaal zou veranderen: de lichtgevende diode, beter bekend als de led.
De revolutie
Deze nieuwe technologie werd aanvankelijk gebruikt door enkele constructeurs zoals Audi, voor een nieuw soort verlichting: de dagrijlichten. In België werden die vanaf 2011 verplicht en ze verbeteren de zichtbaarheid overdag aanzienlijk. In 2007 was de Audi R8 de eerste auto die volledig met led-koplampen uitgerust werd. De voordelen waren legio: een krachtig wit licht en een bijzonder laag elektriciteitsverbruik.
Heel snel daarna verspreidde de led-technologie zich naar de volledige autoverlichting. Zoals altijd waren het eerst de duurste modellen die ermee uitpakten, maar al gauw werd de techniek toegankelijker en kwam ze op steeds meer wagens terecht. Doordat led-lichten zo flexibel zijn, konden de koplampunits steeds compacter worden en in vrijwel elke gewenste vorm gegoten worden.
Deze vernieuwende technologie gaf autodesigners een enorme creatieve vrijheid, en die benutten ze ten volle. Koplampen kregen compleet nieuwe vormen, merken ontwikkelden herkenbare lichtsignaturen en niets leek nog onmogelijk. Ook in het interieur verschenen sfeerverlichtingen die naadloos in het dashboard geïntegreerd werden en die je in een brede waaier van kleuren kon personaliseren.
De komst van led leidde bovendien tot nieuwe technologische ontwikkelingen, zoals matrix-led en pixel-led, die bedoeld zijn om het wegdek steeds beter te verlichten en tegelijk tegenliggers niet te verblinden. Koplampen zijn intussen echte hightech-objecten geworden, maar ze zijn daardoor ook onherstelbaar. Bij een ongeval of defect moet je het hele onderdeel vervangen, en dat kan gemakkelijk enkele duizenden euro’s kosten.
Overal verlichting
Sinds kort heerst er een nieuwe trend in de autowereld: verlichting in overvloed, puur voor de stijl. Vooral de volledig elektrische modellen hebben die mode gelanceerd. Eerst kregen de grilles achtergrond- of contourverlichting. Nu projecteren tal van auto’s beelden op de grond wanneer je de deuren opent, voeren ze animaties uit met hun koplampen, hebben ze dynamische richtingaanwijzers en – de nieuwste trend – beschikken ze zelfs over verlichte logo’s.
Op het autosalon van München (IAA) zagen we bijvoorbeeld de BMW iX3 met twee gigantische verlichte ‘nieren’ en de elektrische Mercedes GLC, die de klassieke grote grille van vroeger herinterpreteert met maar liefst 942 pixels. Een stijlkenmerk dat we binnenkort ook op andere elektrische modellen van het merk met de ster zullen terugvinden.
Toekomstige ontwikkelingen
Die trend om alles te verlichten is mogelijk sinds 1 januari 2023, toen Europa officieel groen licht gaf voor dit soort gadgets die steeds vaker op nieuwe wagens verschijnen. Om overdrijvingen te vermijden, legt de wetgeving een maximum op van 100 cm² verlichte oppervlakte. En hoewel led-koplampen de veiligheid van moderne auto’s sterk verbeterd hebben, valt het te betwijfelen of verlichte grilles en logo’s echt een meerwaarde bieden. Ze zijn vooral spectaculair.
Het blijft ook afwachten wat toeleveranciers en autodesigners ons in de toekomst nog zullen voorschotelen. Wist je dat Goodyear in 1960 al experimenteerde met verlichte banden? Ze werden gemaakt van polyurethaan en gemonteerd op velgen met 18 lampjes. Het resultaat was ronduit verbluffend, maar de risico’s op afleiding, de hoge productiekosten en de slechte grip op nat wegdek maakten een commerciële lancering onmogelijk. Zien we ze ooit terug in een modern jasje? Wie weet…
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be