Ferrari, dat is in de eerste plaats een motor. Een brullend hart met meestal twaalf cilinders. Onlangs bewees de 296 GTB dat een steigerend paard het ook met de helft van dat aantal kan doen, zonder zijn waardigheid te verliezen. Voor sommige puristen blijft het toch een heiligschennis, een herinnering aan de liefde van de Commendatore voor de V12… En toch zagen deze vijf motoren net onder Enzo Ferrari het levenslicht.
Tweecilinder
Gek? Dat kun je wel zeggen. Midden jaren vijftig boekte Ferrari heel wat successen in de racerij met een… viercilinder-in-lijn (zie verderop), ontworpen door motoringenieur Aurelio Lampredi. Door het succes van die motor, die veel meer koppel leverde dan de V12’s van het merk, overwogen Enzo Ferrari en Aurelio Lampredi een afgeleide… tweecilinder voor tragere circuits. Bij eenzelfde cilinderinhoud zorgt een lager aantal cilinders immers voor minder wrijving en meer koppel bij lage toeren. Dit buitenbeentje had twee gigantische zuigers en vier kleppen per cilinder, goed voor een totale cilinderinhoud van 2,5 liter. Op de testbank leverde hij 175 pk, maar hij was slecht in balans en brak uiteindelijk zijn krukas. Het project Tipo 116 stierf een vroegtijdige dood.
Advertentie – lees hieronder verder
Driecilinder
Deze motor had dan wel een cilinder meer, maar hij was misschien nog gekker dan de vorige. We gaan dertig jaar terug in de tijd, naar het begin van de jaren negentig. Ferrari zat toen volop in een heropbouwfase en overwoog een tweetakt V6. Als experiment besloot het merk nieuwe technologieën te testen met een halve V6, dus een driecilinder. Die motor, met een inhoud van 1,3 liter en intern aangeduid als F134, was uitgerust met de nieuwste snufjes: injectie, compressor, distributieriem... Maar op de testbank bleek hij teleurstellend, met een vermogen van slechts 130 pk. Het idee van een V6 van 2,7 liter werd dan ook snel opgeborgen.
Viercilinder
Wat? Een Ferrari met een viercilinder? Dat klinkt inderdaad behoorlijk gewoontjes, maar toch boekte het merk in de jaren vijftig heel wat successen met deze architectuur. De forse 2.0 viercilinder leverde namelijk veel koppel bij lage toeren. Nog een voordeel tegenover de zware V12’s: een lichtere vooras, die de wagen een stuk wendbaarder maakte. Maar de meest verrassende viercilinder van het merk is zonder twijfel diegene die ontwikkeld werd voor de Asa, een kleine berlinetta die door Ferrari werd ontworpen, maar die de naam niet kreeg omdat hij geen V12 had. Een commerciële flop, maar zijn viercilinder – rechtstreeks afgeleid van de V12 van de 250 GT – leverde een opvallend specifiek vermogen voor die tijd. Het prototype had een inhoud van amper 850 cm³, maar ontwikkelde toch zo’n 75 pk.
Zes-in-lijn
Van de Dino tot de 296 GTB: Ferrari ontwikkelde al vaker V6-motoren. Maar wist je dat het merk ook een zes-in-lijn ontwierp, een typisch Britse architectuur? In de jaren vijftig kregen verschillende racewagens zo’n motor, met cilinderinhouden tussen 3 en 4,4 liter. Het was een relatief onbekende krachtbron die weliswaar geen glansrijke racecarrière kende, maar technisch bijzonder vooruitstrevend was: met twee bovenliggende nokkenassen, dubbele ontsteking en een droog carter stond hij qua verfijning aan de top.
Platte V12
Ferrari en de V12 zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar het merk werd ook beroemd met een andere motorarchitectuur, die óók twaalf cilinders telt: de twaalfcilinder in platte opstelling. Van de F1-wagen 1512 uit 1964 tot de F512M berlinetta uit het midden van de jaren negentig: deze motor kende veel succes, zowel op het circuit als in de showroom. Let op: dit is, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, géén boxermotor, maar een V12 met een hoek van 180 graden. Het verschil zit vooral in de krukas: bij de Ferrari-motor bewegen de tegenoverliggende zuigers in dezelfde richting.
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be