Elke winter speelt zich hetzelfde scenario af: een paar dagen aanhoudende vorst volstaan om het wegennet zwaar te beschadigen. Over het hele land stijgt het aantal oproepen voor noodherstellingen, vooral op secundaire en gemeentelijke wegen. Daar gapen de kuilen vaak 10 tot 15 centimeter diep. Meer dan genoeg om voertuigen te beschadigen: lekke banden, kromme velgen, schade aan de ophanging enzovoort.
Het mechanisme achter schade aan het wegdek is bekend: water dat in het asfalt binnendringt, zet uit wanneer het bevriest. Die druk maakt de bovenste laag los. De schade is uiteraard groter wanneer preventief onderhoud uitblijft. Microbarsten moeten tijdig worden gedicht, anders groeien ze uit tot echte scheuren.
Sneeuwruimen en strooien spelen daarbij geen doorslaggevende rol in de slijtage van wegen. Integendeel: zout voorkomt weliswaar geen infiltratie, maar stelt het moment van bevriezing uit. Voor carrosserieën is het echter wél schadelijker.
Advertentie – lees hieronder verder
Meerlaags wegdek
Het is belangrijk te weten dat winterschade niet de volledige wegstructuur aantast. Meestal vangt de slijtlaag de klappen op. Die laag moet om de tien tot vijftien jaar worden vernieuwd, afhankelijk van het weer en de verkeersdrukte.
Zoals bekend is het onderhoud van de Belgische wegen de voorbije jaren echter systematisch uitgesteld door een gebrek aan middelen. In Vlaanderen alleen al wordt de investeringsbehoefte voor de wegeninfrastructuur geraamd op 10 miljard euro. In Wallonië is dat bedrag niet precies bekend, maar het ligt vermoedelijk in dezelfde grootteorde, zeker aangezien het investeringsplan 2019-2024 slechts 1,5 miljard euro voor renovaties voorzag. Dat is ongetwijfeld veel minder dan nodig.
Oplossingen?
Maar hoe geraken we uit deze vicieuze cirkel? Hoe langer we wachten, hoe dramatischer de situatie wordt. Volgens belangenorganisaties van automobilisten, zoals Mauto Défense en Touring, bestaat er nochtans een duidelijke oplossing: de inkomsten die voor mobiliteit worden geïnd — zoals de inschrijvingsbelasting, de verkeersbelasting en de accijnzen op elke liter brandstof (en inmiddels ook op elke kWh elektriciteit voor elektrische wagens) — opnieuw investeren in de wegen.
Voor deze organisaties is de rekensom eenvoudig: elke euro die bij weggebruikers wordt opgehaald, moet terugvloeien naar de veiligheid, renovatie en verduurzaming van het wegennet.
Er valt inderdaad veel te zeggen. Alleen al in 2023 brachten de accijnzen op benzine en diesel de Belgische staat 5,9 miljard euro op. Dat is op zich geen klein bedrag. Maar het verbleekt bij de raming van Febiac: alle bijdragen van automobilisten samen (boetes inbegrepen) zouden de overheid jaarlijks zo’n 21,4 miljard euro opleveren. Bovendien dateert die schatting van 2020, dus van vóór de verstrengde verkeerscontroles en de bijbehorende stijging van de inkomsten.
Natuurlijk is het onrealistisch om alle mobiliteitsinkomsten opnieuw volledig in de wegen te investeren. De staatsbegroting moet middelen verdelen over sectoren die essentieel zijn, maar niet altijd rendabel, zoals de gezondheidszorg. Dat is nu eenmaal het principe van openbare dienstverlening, en daar valt weinig tegenin te brengen.
Toch verdienen onze wegen voldoende aandacht en financiering, zodat automobilisten veilig de baan op kunnen. Dat is het minste wat verwacht mag worden. Laten we hopen dat we daarvoor niet hoeven te wachten tot 2027 of 2028, met de invoering van de kilometerheffing, waarvan de opbrengsten hoe dan ook onvoldoende zullen zijn, om eindelijk in actie te komen.
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be