Ons advies? Zoek naar modellen die net boven onze drempel geprijsd staan en probeer te onderhandelen, want een grondige opfrisbeurt blijft nog altijd even duur.
1. Alfa Romeo 1750 GTV (1967–1972), de beste Alfa ooit?
Voor velen is dit simpelweg de beste Alfa: een Giugiaro-design met zeldzame elegantie, een motor die levendig en goed klinkt, een perfecte versnellingsbak, een evenwichtig chassis en een interieur dat tegelijk chic en sportief oogt. Deze coupé, intern bij Alfa bekend als type 105, is de perfecte samenvatting van een Italiaanse GT en van wat een Alfa Romeo hoort te zijn.
Markt: nadat hij geregeld tegen de 60.000 euro aanschurkte of die grens zelfs overschreed, zie je hem nu vaak tussen 40.000 en 45.000 euro. Zoals altijd vinden de mooiste exemplaren moeiteloos een nieuwe eigenaar, soms tegen zeer hoge prijzen (meer dan 70.000, zelfs 80.000 euro).
Advertentie – lees hieronder verder
2. BMW E9 3.0 CS (1968–1975), toen BMW’s nog in smoking paradeerden
Met zijn vloeiende lijnen, dreigende grille en zijdezachte zes-in-lijn is de E9 zo’n GT die waardig blijft verouderen. Hij is duidelijk meer een GT dan een sportwagen: liever elegant houtwerk dat mooi uitkomt tussen de slanke stijlen, dan sombere interieurs vol kunststof. Alleen jammer dat een vijfde versnelling ontbreekt…
Markt: de CS verkoopt niet meer zo vlot als enkele jaren geleden. Exemplaren die al een tijdje te koop staan, vertrekken geregeld onder de 50.000 euro. De CSi-modellen met injectie zijn het meest gegeerd, versies met automaat het minst… Succes met de jacht, maar mik vooral op kwaliteit.
3. Austin-Healey 100/6 en 3000 (1956–1967), dalende prijzen
Een verleidelijke look, een rauwe bommenwerperklank en koppel in overvloed: de Big Healey’s zijn geen verfijnde machines, maar ze bieden onversneden rijplezier, op een ander niveau dan de steriele auto’s van vandaag. De viercilinders zijn het meest gegeerd (omdat ze het puurste recept bieden en gemakkelijk te besturen zijn), terwijl de MK3 het meest geciviliseerd zijn.
Markt: je zag ze geregeld flirten met 80.000 euro, maar die bladzijde lijkt omgeslagen. Wie goed zoekt, vindt een 100/6 en 3000 MK1 in behoorlijke staat voor minder dan 50.000 euro. Voor de MK3 moet je een stevige toeslag rekenen… Maar niets belet je om te onderhandelen.
4. Porsche 911 3.0 SC Targa (1977–1983), luchtkoeling voor minder geld
Tussen de ‘klassieke’ modellen van vóór 1974 en de onverwoestbare 3.2-liter vind je de Porsche 911 2.7 en 3.0: de voordeligste toegang tot de wereld van de luchtgekoelde 911. Onze voorkeur gaat naar die laatste, die sterker en performanter is. Puristen mijden hem omdat ze de lijn minder puur vinden, maar de Targa biedt vandaag veel troeven: je geniet er immers in de open lucht van het gekletter van de flat-six.
Markt: na de stormloop van zo’n tien jaar geleden is de markt voor klassieke Porsches sterk teruggevallen, al blijft het instapticket nog altijd duur. De minder gegeerde Targa-versies – zeker met de Sportomatic-bak – zakken tegenwoordig onder de grens van 50.000 euro.
5. Jaguar XK150 FHC (1957–1961), de mythe die terrein verliest
Zeg ‘klassieke Jaguar’ en je denkt waarschijnlijk aan de beeldschone E-Type, of aan de spectaculaire XK120. Tussen die twee mythes vinden we interessante evoluties van die laatste: de XK140 en XK150. Deze laatste wordt qua lijn vaak als log beoordeeld, maar is – met voorsprong – de meest geslaagde van de reeks, met meer ruimte en vier schijfremmen. Onder de motorkap blijft de grote XK-zescilinder van 3,4 of 3,8 liter even betoverend…
Markt: laten we eerlijk zijn, een XK150 in behoorlijke staat vinden voor minder dan 50.000 euro vergt enkele toegevingen. Zonder daarom voor een automaat te gaan, zal het waarschijnlijk om een coupé met rechterstuur gaan. Enkele jaren geleden leken dergelijke tarieven ondenkbaar.
Nog twee te gaan
Recenter en zeldzamer: deze laatste twee modellen zakken slechts heel af en toe onder de grens van 50.000 euro… Uitzonderingen die we niet aanraden, want de kosten van een opknapbeurt lopen hoog op. Maar de trend is gezet…
6. Lotus Esprit V8 (1996–2004), de supercar op dieet
Biturbo-V8, middenmotor en composietchassis: de Esprit V8 is de GT die zich voordoet als een rasechte sportwagen. Deze V8-versie werd lang verwacht en vergt een hoger gebruiksbudget dan een viercilinder Turbo. Dat verklaart de lagere prijzen. In Groot-Brittannië lopen de prijzen voor nette exemplaren uiteen van 50.000 tot 60.000 euro.
7. Ferrari 456 GTA (1996–1998), klasse voor een spotprijs
Het is en blijft een Ferrari, mét V12, en misschien wel een van de mooiste GT’s van de voorbije vijftig jaar. Waarom dan die dalende prijzen? Eerst en vooral: het gaat om een 2+2, een architectuur die puristen links laten liggen omdat ze minder sportief oogt. Daarnaast speelt ook de twijfelachtige betrouwbaarheid van de elektrische installatie mee – genoeg om je bankier slapeloze nachten te bezorgen… En tot slot: wanneer hij uitgerust is met een automaat, is dat de genadeslag. Die smoort zowel de duw in de rug als de lyrische uithalen van de V12. Maar wat een machine blijft het…
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be