Sinds het einde van de negentiende eeuw hebben autofabrikanten zowat elke denkbare mechanische oplossing uitgeprobeerd. Pas vanaf de jaren zeventig werd de voorwielaandrijver met een dwarsgeplaatste motor de norm, een concept dat eind jaren vijftig bekend werd dankzij de Mini. En dat principe is vandaag nog altijd de standaard.
1. Bédélia (1910-1925): een bewegende achteras
We bevinden ons nog in de pionierstijd van de auto en sommige creaties waren ronduit bizar. De Bédélia had twee zitplaatsen achter elkaar, waarbij de bestuurder... achteraan zat.
Nog opmerkelijker was de versnellingsbak. Om te ontkoppelen moest je een hendel bedienen die de achteras naar voren schoof. Zo kwam de lange aandrijfriem losser te staan en kon een andere overbrengingsverhouding worden gekozen.
Advertentie – lees hieronder verder
2. Honda S600 (1964-1966): aandrijving via motorfietskettingen
Voor de bekende S800 was er de compacte Honda S600. Voor die tijd was zijn techniek indrukwekkend: een motor van nog geen 600 cc, 57 pk, een toerental van 9.500 t/min en vier carburateurs.
Maar de echte verrassing zat achteraan. Het differentieel dreef elk achterwiel afzonderlijk aan via een ketting die in een met olie gevulde behuizing liep. Die fungeerden tegelijk ook als draagarmen van de achterophanging.
3. DAF 600 (1959-1963): de beroemde riemen
De DAF 600 beschikte niet over een klassieke versnellingsbak, maar de zogenaamde Variomatic, een transmissie met conische poelies en brede rubberriemen die traploos van overbrengingsverhouding veranderden.
Het systeem werkte bovendien perfect in beide richtingen. Een DAF kon daardoor bijna even snel achteruit als vooruit rijden. Onze noorderburen organiseerden er zelfs wedstrijden mee... in achteruit.
4. Messerschmitt KR200 (1955-1964): vier versnellingen achteruit
Na de Tweede Wereldoorlog schakelde vliegtuigbouwer Messerschmitt over op auto's. De KR200 leek dan ook sterk op een vliegtuig zonder vleugels.
Het meest opmerkelijke detail? De kleine tweetaktmotor had geen echte achteruitversnelling. Om achteruit te rijden moest de bestuurder de motor stilleggen en vervolgens... in de omgekeerde draairichting opnieuw starten. De vier versnellingen bleven gewoon beschikbaar, waardoor de KR200 vier versnellingen achteruit had.
5. Amphicar 770 (1961-1968): twee schroeven voor weg én water
Zoals de naam doet vermoeden voelde de Amphicar zich zowel op de weg als op het water thuis.
Op de weg werden de achterwielen aangedreven via een klassieke handgeschakelde versnellingsbak. In het water activeerde de bestuurder twee nylon schroeven achteraan de auto. De voorwielen deden dienst als roer, alsof een echt scheepsroer iets te voor de hand liggend was. Al maakte die bijzondere techniek het onderhoud er niet eenvoudiger op.
6. Citroën DS (1955-1975): hij kon zichzelf optillen
Ook de Citroën DS mocht uiteraard niet ontbreken. Toen hij in 1955 werd voorgesteld, leek hij pure sciencefiction. Eén hydraulisch hogedruksysteem bediende de vering, de stuurinrichting, de remmen én de koppeling.
Het meest spectaculaire? Dankzij de hydropneumatische ophanging kon de DS op drie wielen blijven rijden. Een klassieke krik was daardoor overbodig bij het vervangen van een wiel.
7. Citroën 2CV Sahara (1960-1967): twee motoren zijn beter dan één
Om van de 2CV een vierwielaandrijver te maken, monteerde Citroën simpelweg een tweede motor in de kofferruimte om de achterwielen aan te drijven.
Beide motoren konden afzonderlijk of samen werken. Er waren ook twee versnellingsbakken die via stangen met elkaar verbonden waren. Nog een bijzonder detail: de twee brandstoftanks zaten onder de voorstoelen.
8. Cizeta V16T (1991-1995): een dwarsgeplaatste V16
De Cizeta V16T kreeg een zesliter-V16 die was opgebouwd uit twee Lamborghini V8-motoren. Het blok telde zestien cilinders, 64 kleppen en acht nokkenassen.
De "T" stond niet voor turbo, maar voor transversaal. De gigantische motor lag dwars achter de zetels gemonteerd. Het vermogen werd vanuit het midden van het motorblok naar een handgeschakelde vijfversnellingsbak gestuurd. Meteen ook de verklaring voor de uitzonderlijke breedte van deze exotische supercar.
9. Chrysler Turbine (1963-1964): de auto die zelfs tequila lustte
De Chrysler Turbine was geen productiemodel, maar een experimentele reeks van slechts 55 exemplaren die door geselecteerde klanten werd getest.
Onder de motorkap lag geen V8, maar een echte gasturbine. Die draaide probleemloos op benzine, diesel, kerosine en zelfs tequila.
Het resultaat? Nauwelijks bewegende onderdelen, amper trillingen en een fluitend geluid dat rechtstreeks uit de luchtvaart leek te komen. Alleen was brandstof destijds zo goedkoop dat de turbine uiteindelijk weinig voordelen bood tegenover een klassieke V8.
10. Leyat Hélica (1919-1925): de gekste van allemaal
Misschien wel de meest bizarre auto ooit gebouwd. De Leyat Hélica had helemaal geen aandrijving naar de wielen. In plaats daarvan zorgde een enorme propeller voor de voortstuwing.
Ontwerper Marcel Leyat, afkomstig uit de luchtvaartwereld, vond een propeller eenvoudiger en lichter dan een klassieke transmissie. Of een gigantische draaiende propeller vlak voor de bestuurder ook echt een goed idee was, laten we graag aan jou over. Even geniaal als krankzinnig.
Ontdek je volgende oldtimer op Autoclassic.be
Een vraag over oldtimers? Neem contact op met BEHVA
Duizenden Belgische bestuurders volgen Gocar om op de hoogte te blijven en om de beste wagendeals te ontdekken. U toch ook? Blijf op de hoogte:
- Bezoek gocar.be regelmatig
- Volg Gocar op Google Nieuws
- Abonneer op de Gocar-nieuwsbrief