TEST Jaguar F-Type Convertible 2.0: Vergéét de zescilinder

Aanvankelijk kon je de Jaguar F-Type alleen met een V6 of met een V8 kopen. Pas later werd de viercilinder bij het aanbod gevoegd. De goedkoopste mogelijkheid? Absoluut, en waarschijnlijk ook de betere keuze op andere vlakken…

TEST Jaguar F-Type Convertible 2.0: Vergéét de zescilinder

Van de 3-liter V6 heb ik in het verleden al meermaals kunnen proeven. Die motor, beschikbaar in verschillende vermogensuitvoeringen, is een pak minder brutaal dan de 5-liter V8 (nog lekkerder!), al is het verschil – en toch zeker qua gevoel – kleiner tussen de V6 en de viercilinder. Met andere woorden: ook de 2-liter Ingenium-krachtbron met turbo die door Jaguar Land Rover in dienst werd genomen, heeft ballen. Het blok produceert een ronde 300 pk en 400 Nm, wat nog steeds spannende acceleraties en hernemingen oplevert, en klinkt bovendien erg goed in de oren. Niemand, maar dan ook niemand uit mijn entourage vermoedde dat er “maar” een vierpitter in de neus lag. Een hele mooie neus op de koop toe, want hoe je het ook draait of keert: de F-Type is een tijdloze schoonheid en dit zowel als coupé als als roadster.

Het sprintje tot 100 km/u is voelbaar snel achter de rug (5,7 seconden), en hoewel het sensatiegevoel niet vergelijkbaar is met dat van de F-Type met een V8 (tot 575 pk in geval van de SVR), voldoet deze cabrio aan alle voorwaarden waaraan een echte sportwagen moet voldoen. Dat zijn: een uitgekiende gewichtsverdeling, een stijve koets (ook als roadster!), een directe besturing, een fantastisch weggedrag (liefst achterwielaangedreven zoals onze testwagen) en – last but not least – een motor die erbij past. Meer heb je écht niet nodig.

Het grootste voordeel zit ‘m natuurlijk vooral in de prijs: de F-Type 2.0 is goedkoper qua belastingen en aankoop (de coupé vanaf € 62.000, de cabrio vanaf € 69.120), maar ook wat de verzekering, het verbruik en waarschijnlijk zelfs de naverkoopwaarde betreft. Voor alle duidelijkheid blijven de V6- en V8-versies verleidelijker, al is het sop de kool gewoonweg niet waard. Als klap op de vuurpijl is de tweeliterversie lichter en vind ik zijn looks geslaagder, specifieker de centrale uitlaatmond achteraan die hem beter staat dan de twee ronde pijpen van de V6 en de vier einddempers van de V8.

Of deze Jaguar dan geen nadelen heeft? Natuurlijk wel, maar die hebben alles met het concept te maken. Zijn koffer stelt bijvoorbeeld niets voor – daar geraakt zelfs geen bak bier of cola in – en wie deze wagen kan parkeren zonder ooit velgschade te veroorzaken, mag zichzelf een zeer geconcentreerde chauffeur noemen. Daarnaast mocht het infotainmentsysteem reactiever zijn, met name als er van radiostation wordt gewisseld. Maar wat is hij mooi…

Conclusie

Hoewel Jaguar een redelijk uitgebreid motorenpalet aanbiedt voor de F-Type, is de instapper de betere keuze en (bijna) even plezierig als zijn krachtigere broers met minstens 1.000 cc extra longinhoud. Doe jezelf dus een plezier: vergeet de zescilinder, koop de viercilider en steek de rest op zak. En ook nog dit: kiezen tussen een Jaguar en een Porsche (Boxster) was nog nooit zo moeilijk, ook al zullen porschisten dit natuurlijk met geweld tegenspreken…