De comeback van Donald Trump in het Witte Huis verliep met veel bombarie. En dat blijft zo. Bijna dagelijks volgt een spectaculaire aankondiging – vaak met de nodige controverses erbij. Trumps beslissingen hebben een enorme impact op de wereldeconomie, en zeker op de invoerheffingen voor producten die niet in de VS gemaakt zijn, nog altijd de grootste consumptiemarkt ter wereld.
Vooral de auto-industrie kreeg meteen de volle laag door deze nieuwe politiek. Trump is de massale delokalisaties en fabriekssluitingen – vooral in Detroit in de jaren zeventig – ongetwijfeld niet vergeten. In tegenstelling tot andere sectoren waar hij wel een verlaging toestond, blijven auto’s belast met 25% invoerheffing. Alleen onderdelen uit Canada en Mexico genieten van versoepelingen, zodat Amerikaanse merken als Ford, GM, Stellantis en Tesla niet meteen kopje onder gaan.
Duidelijke signalen
Eerst werd gedacht dat Trump zijn dreigementen niet zou uitvoeren. Maar in de auto-industrie gaf hij uiteindelijk geen duimbreed toe, ondanks de druk van de constructeurs. Al snel werd aangenomen dat Trump het pleit niet zou winnen en dat er geen sprake zou zijn van relokalisatie naar de Verenigde Staten, omdat dat te veel tijd en investeringen zou vergen. Tot er een andere regering zou komen, dacht men dat de Amerikanen gewoon meer zouden betalen. Einde verhaal.
Advertentie – lees hieronder verder
Maar vandaag – en dat is nog maar anderhalve maand na de maatregelen van Trump van 9 april – duiken de eerste tekenen van relokalisatie op in de auto-industrie. Analisten van Deutsche Bank stellen vast dat de aankondigingen van relokalisatie zich opstapelen. Zo heeft Honda aangekondigd dat het de productie van zijn populaire Civic zal verplaatsen van de Mexicaanse fabriek in Guanajuato naar die in Indiana, vanaf 2028. En dat is geen alleenstaand geval. Nissan, dat 30% van zijn verkoop in de VS realiseert, heeft verklaard dat de productie van de Rogue in de fabriek van Smyrna behouden blijft. Het idee wint terrein: de Japanse constructeur overweegt bovendien om zijn fabrieken in Tennessee en Mississippi beter te benutten om de Amerikaanse markt te bedienen, ondanks de grote financiële moeilijkheden waarmee het kampt.
Ook Toyota lijkt besloten te hebben om zijn RAV4, een van de bestverkochte SUV’s op deze markt, voortaan op Amerikaanse bodem te bouwen, in Kentucky. Volvo zal de productiecapaciteit verhogen voor de modellen die lokaal het meest gevraagd zijn. Audi, dat volop moet besparen, overweegt ook om een deel van zijn productie naar de VS te verplaatsen om zijn verkoopcijfers op peil te houden. BMW zal dan weer investeren in zijn fabriek in Spartanburg om er meer modellen te bouwen (80.000 stuks extra per jaar), naast de X3, X4, X5, X6 en X7. Zelfs de Amerikaanse constructeur GM lijkt overstag: de groep kondigde aan dat het 250 mensen zal aanwerven om de productie in zijn fabriek in Fort Wayne, Indiana, op te drijven. En het strafste van al: Hyundai kondigde, naast Trump zelf in het Oval Office, een lokale investering van 21 miljard dollar aan. Dat was voor Trump reden genoeg om te verklaren: “Deze investering is het sprekende bewijs dat invoerheffingen perfect werken.”
Duurzaam of tijdelijk?
Is deze situatie blijvend? Heeft Donald Trump zijn krachtmeting al gewonnen en zijn tegenstanders – of partners – uitgeschakeld? Goede vraag. Zo zwart-wit is het niet. Er mag dan wel sprake zijn van extra productie of relokalisatie naar de VS, vooral voor strategische modellen, toch zijn die investeringen en extra banen – behalve bij Hyundai – allesbehalve zeker. Simpelweg omdat het vooral gaat om noodmaatregelen van constructeurs die de schade willen beperken. En zelfs dat kan alleen voor nieuwe modellen, want je moet nog altijd geschikte arbeidskrachten vinden én een lokaal leveranciersnetwerk dat de extra vraag aankan.
Maar intussen betalen de Amerikanen de rekening. De uitvoering van de aangekondigde investeringen en de aanpassing van de toeleveringsketens zal tijd vergen – veel tijd zelfs. En dat betekent: prijsstijgingen. De Amerikaanse overheid gaf zelf toe dat consumenten de komende maanden prijsverhogingen tot 10.000 dollar zullen moeten incasseren voor bepaalde modellen.
Naast die hogere prijzen dalen de productie en de vraag. Volgens AutoForecast Solutions zullen er dit kwartaal in de VS 126.000 wagens minder worden gebouwd, als rechtstreeks gevolg van de invoerheffingen. Gemiddeld zullen die heffingen de constructeurs tot eind 2025 zo’n 3.400 dollar per auto kosten. Dat bedrag wordt doorgerekend aan de klanten, want – zo maakte Mercedes al duidelijk – het is niet de bedoeling dat hun winstmarges sneuvelen door de tariffs van het Witte Huis. De boodschap is duidelijk. En aangezien het drie tot vier jaar duurt voor een nieuwe fabriek operationeel is, zou dit noodsysteem weleens kunnen standhouden zolang Trump in het Witte Huis zit. Maar wat daarna?
Op zoek naar een auto? Zoek, vind en koop het beste model op Gocar.be